
Bestrijding van nematoden
Zodra het aaltje zich heeft geïnstalleerd in het perceel is het kwaad geschied. Ook hier is voorkomen beter dan genezen.
Manifesteert het aaltje zich toch, dan moet er dringend wat gebeuren. Om hieraan te verhelpen zet de landbouwer beheersingsmaatregelen in. Dit gebeurt niet zonder extra kosten. Ook omwille van hun quarantaine status (zie punt 2) veroorzaken de aardappelcysteaaltjes meer uitgaven.
Voorkomen is beter dan genezen
Gebruik gecertificeerd pootgoed
- Het gebruik van gekeurd pootgoed verhindert het binnenbrengen van cysten.
- Het reinigen van landbouwmachines, landbouwwerktuigen en schoeisel tussen verschillende percelen verkleint de kans op verspreiding van cysten tussen de percelen.
- Het niet gebruiken van sorteer- en zeefgrond om lage plekken op te voeren op productiepercelen verkleint de inbreng van cysten. Grondtarra afkomstig van de agro-industrie is vermoedelijk een belangrijke verspreidingsfactor.
- Mest afkomstig van dieren die met aardappelen gevoed werden vermijden.
De infectiehaard beperken en de nematoden actief bestrijden
Eens er toch aardappelcysteaaltjes aanwezig zijn op de percelen, is het noodzaak om deze besmettingshaarden zo veel mogelijk in te perken, en in ieder geval om hun uitbreiding te voorkomen. Een snelle opsporing kan de populatieopbouw sterk beperken.
Simpele teelttechnische handelingen kunnen al een steentje bijdragen:
- het zaaien van bodembedekkers (bijv. groenbemesters) belemmert de verspreiding met de wind;
- de valplekken worden zo snel mogelijk vernietigd (glyfosaat, uiterlijk voor 20 juni) met voldoende bufferzone rond de zichtbare plekken;
- het verwijderen van aardappelopslag, geeft de populatie geen kans om tussen aardappelteelten verder toe te nemen.
Maar deze maatregelen zijn veelal op zich ontoereikend. Dan moeten andere strategieën toegepast worden:
- Inzetten van resistente rassen
- Telen van vanggewassen
- Chemische bestrijding
Bodembedekkers
Het gaat dus wel degelijk om een rol als bodembedekker ter preventie van het verspreiden van de cysten, en niet om de inzet van een groenbemester ter bestrijding van de aaltjes. Tegen het aardappelcysteaaltje is nog geen groenbemester gevonden om als nateelt in te zetten. Er wordt veel aandacht besteed aan zgn. “aaltjesreducerende” groenbemesters, vooral in de bietenteelt waar het bietencystenaaltje een gekende vijand is. Er moet echter op gedrukt worden dat deze groenbemesters geen invloed hebben op het aardappelcysteaaltje. Deze groenbemesters hebben soms wel als gevolg dat de planten beter groeien door bijvoorbeeld een verbeterde bodemstructuur, of vermindering van andere ziekten.
Aardappelopslag
Aardappelopslag in een volgend gewas kan na enkele jaren leiden tot een zeer grote toename van de nematodenpopulatie. Er wordt geschat dat opslag van een vatbaar ras tot gevolg heeft dat het aantal cysten verdrievoudigt (in een jaar zonder aardappelteelt). Vooral na een zachte winter kunnen de op het veld achtergebleven aardappelknollen ontsnappen aan de bevriezing en in het voorjaar terug uitlopen. Zo werden in het eerste volggewas na aardappelen tot 80.000 opslagplanten/ha aangetroffen.
Vooral in laatsluitende voorjaarsgewassen zoals bieten, maïs en bonen is aardappelopslag een geduchte concurrent voor het cultuurgewas. Bovendien zijn de overgebleven knollen vaak dragers van allerlei ziekten waaronder aardappelplaag (Phytophthora infestans). De opslagplanten zijn vroeg aangetast en vormen vaak ernstige infectiebronnen voor de omliggende jonge aardappelvelden.

Figuur 6: Aardappelopslag in een bietenperceel
De bestrijding van aardappelopslag is daarom van groot belang. Verminderen van rooiverliezen, vernietigen van overgebleven knollen en van de opslag zelf (manueel of met herbiciden) zijn zeer belangrijk. Ook het vermijden en vernietigen van opslag van resistente planten is belangrijk, aangezien deze opslag de selectie van pathotypes die de resistentie overwinnen in de hand werken.
Het systemisch herbicide glyfosaat vernietigt aardappelopslag voor 100%.Het cultuurgewas moet echter goed afgeschermd worden, bvb. met schermkappen. Het vollevelds behandelen met herbiciden die door het cultuurgewas verdragen worden, geeft vaak slechts een onderdrukking of gedeeltelijke bestrijding van aardappelopslag.
In bieten geven hoge dosissen fenmedifam, metamitron en cloropyralid een goede onderdrukking. In maïs zijn diverse herbiciden bruikbaar. De meeste maïs-contactherbiciden onderdrukken tijdelijk de aardappelopslag. Sulcotrione en, in een later stadium, fluroxypyr, onderdrukken de opslag zeer goed. De beste bestrijding van aardappelopslag wordt bekomen in de granen. Fluroxypyr en de mengsels op basis van dicamba + 2,4-D + MCPA ruimen de opslag volledig op.
Preventieve bestrijding is tenslotte een alternatief voor chemische aanpak. Na het rooien liggen de achtergebleven knollen in de bovenste 10 cm van de grond. Indien de knollen daar kunnen gehouden worden door een aangepaste, niet kerende grondbewerking, vergroot de kans op bevriezing tijdens de winter aanzienlijk. Dit is mogelijk met de vaste tandcultivator, waardoor de knollen op of bovenin de bouwvoor blijven liggen. Blootstelling aan vorst van -2 °C gedurende 24 uur, of –4 °C gedurende 12 uur, vernietigt de knollen definitief.
Teeltrotatie
De Belgische wetgeving verbiedt om aardappelen frequenter te telen dan eens om de drie jaar en voor gecertificeerd pootgoed is deze periode 4 jaar. Om het even welk gewas, behalve tomaten en aubergines, kan men in rotatie met aardappelen telen zonder gevaar voor toename van het aardappelcysteaaltje. Per jaar daalt het aantal aardappelcysteaaltjes met ongeveer 20-35% wanneer geen waardplant geteeld wordt. Een wijdere teeltrotatie heeft dus tot gevolg dat de populatie nog meer afneemt. Een zware besmetting van 20 cysten/100g resulteert dus na 3 jaar in een besmetting van 4,2 cysten/100g en na 4 jaar in 2,7 cysten/100g. Dit laatste stemt toch nog steeds overeen met 550 eieren en larven/100g als we aannemen dat elke cyste 200 eieren en larven bevat. Dat komt neer op een matige besmetting. Er wordt schade veroorzaakt aan aardappelen vanaf een dichtheid van ongeveer 200 eieren/100 g grond. Andere maatregelen dan teeltrotatie zijn dus aangewezen voor dit perceel.
Wanneer er tijdens een bodemanalyse geen cysten aangetroffen worden, wil dat nog niet zeggen dat er geen cysten aanwezig zijn op het perceel. De bemonstering kan niet optimaal gebeurd zijn, of de populatie kan onder de detectielimiet liggen.
Resistente rassen
Zoals gevoelige rassen lokken ook resistente rassen de larven uit de cysten. De larven dringen de aardappelwortels binnen maar kunnen er zich niet of slechts zwak vermenigvuldigen. Op die wijze wordt de besmettingsgraad teruggedrongen. Het gebruik van resistente rassen is echter niet zo’n eenvoudige maatregel. Er komen niet alleen twee soorten aardappelcysteaaltjes (Globodera rostochiensis en G. pallida) voor; voor elke soort onderscheiden wij ook verschillende pathotypes. Het kiezen van het aardappelras met de juiste resistentie tegen het voorkomende pathotype is dus zeer belangrijk.
Naast resistentie van een ras is ook de term “tolerantie” belangrijk. Waar resistentie verwijst naar de mogelijkheid van de aaltjes om al of niet te vermenigvuldigen op een ras, duidt tolerantie aan of een ras wel of niet gevoelig is aan het aanprikken van de aaltjes op de wortels. Een niet-tolerant ras ondervindt veel schade door het aanprikken van de aaltjes; dit geldt zowel voor resistente als niet-resistente rassen.
De teelt van een gevoelig ras zoals Bintje kan de populatie 25 keer vermeerderen. Het telen van een ras resistent tegen G. rostochiensis heeft als gevolg dat de nematodenpopulatie gemiddeld 80% afneemt. Het telen van een resistent ras is ook aangeraden bij lichte en matige besmettingen, omdat de reductie bij hoge cystendichtheden minder dan 80% bedraagt. Veel rassen zijn resistent tegen de pathotypes Ro1-4, die het meest voorkomen.
Resistentie tegen aardappelcysteaaltjes: overzicht van de belangrijkste rassen.
|
Variëteit
|
Ro1
|
Ro2/3
|
Pa2
|
Pa3
|
|
Variëteit
|
Ro1
|
Ro2/3
|
Pa2
|
Pa3
|
| Accent | 9 | Junior | 9 | |||||||
| Accord | 9 | Lady Christl | 9 | |||||||
| Adora | 9 | Lady Claire | 9 | |||||||
| Agata | 9 | Lady Felicia | 9 | |||||||
| Agria | 9 | Lady Rosetta | 9 | |||||||
| Alegria | 9 | Marabel | 9 | |||||||
| Amora | 9 | Marijke | 9 | 3 | ||||||
| Annabelle | 9 | 8 | Maritiema | 9 | 8 | 3 | ||||
| Anosta | 9 | Markies | 9 | |
||||||
|
Arcade
|
9 |
|
|
|
Melody
|
9
|
|
|
|
|
|
Asterix
|
9 |
|
|
|
|
Milva | 9 |
|
|
|
| Aziza | 9 |
|
6 |
|
|
Minerva | 9 |
|
|
|
|
Ballade
|
9 | 8 | 8 |
|
|
Miranda | 9 |
|
|
|
|
Berber
|
9
|
|
|
|
|
Miriam
|
9
|
|
|
|
|
Bildtstar
|
9
|
|
|
|
|
Mondial
|
9
|
|
|
|
|
Biogold
|
9
|
|
|
|
|
Mozart
|
9
|
|
|
|
|
Caesar
|
9
|
|
|
|
|
Musica
|
9
|
7
|
6
|
|
|
Cecile
|
9
|
7
|
|
|
|
Nicola
|
9
|
|
|
|
|
Cilena
|
9
|
|
|
|
|
Pallas
|
9
|
|
|
|
|
Courage
|
9
|
|
|
|
|
Première
|
9
|
|
|
|
|
Cycloon
|
9
|
|
|
|
|
Raja
|
9
|
|
|
|
|
Dali
|
9
|
|
|
|
|
Ramos
|
9
|
|
3
|
|
|
Ditta
|
9
|
|
|
|
|
Red Baron
|
9
|
|
|
|
|
Donald
|
9
|
|
|
|
|
Red Scarlett
|
9
|
|
|
|
|
Dorado
|
9
|
|
|
|
|
Redstar
|
9
|
|
|
|
|
Elgar
|
9
|
|
6
|
|
|
Remarka
|
9
|
|
3
|
|
|
Esprit
|
9
|
|
|
|
|
Santana
|
9
|
|
|
|
|
Exempla
|
9
|
|
|
|
|
Santé
|
9
|
7
|
7
|
3
|
|
Exquisa
|
9
|
|
|
|
|
Saturna
|
9
|
|
|
|
|
Farmer
|
9
|
|
3
|
|
|
Simply Red
|
9
|
9
|
8
|
6
|
|
Felsina
|
9
|
|
|
|
|
Sinora
|
9
|
|
4
|
|
|
Folva
|
9
|
|
|
|
|
Sofia
|
9
|
9
|
|
|
|
Fontane
|
7
|
|
|
|
|
Solist
|
9
|
|
|
|
|
Forza
|
9
|
|
|
6
|
|
Spirit
|
9
|
|
|
|
|
Fresco
|
9
|
|
|
|
|
Sprint
|
9
|
|
|
|
|
Frieslander
|
9
|
|
|
|
|
Triplo
|
9
|
|
|
|
|
Gala
|
9
|
|
|
|
|
Turbo
|
9
|
|
3
|
|
|
Gloria
|
9
|
|
|
|
|
Ukama
|
9
|
|
|
|
|
Hommage
|
9
|
|
6
|
|
|
Victoria
|
7
|
|
|
|
| Monte Carlo | 9 | 9 | 6 | 7 |
| Ro1 | Globodera rostochiensis, pathotype 1 |
| Ro2/3 | Globodera rostochiensis, pathotype 2 en 3 |
| Pa2 | Globodera pallida, pathotype 2 |
| Pa3 | Globodera pallida, pathotype 3 |
Amandine, Bintje, Challenger, Charlotte, Cleopatra, Désirée, Doré, Draga, Eersteling, Eigenheimer, Escort, Franceline, Gourmandine, Hansa, Hermes, Jaerla, Lady Olympia, Monalisa, Spunta, Vivaldi, Voyager.
Vanggewassen
Dit kan op twee manieren bekomen worden :
-
ofwel teelt men een specifiek vanggewas, zoals Raketblad;
-
ofwel teelt men aardappelen, die dan vernietigd worden voor de aaltjes volledig volgroeid zijn.

Chemische bestrijding
Fumiganten worden in de bodem geïnjecteerd voor het planten, en geven een éénmalig effect met een reductie van de cystenpopulaties tot zo’n 80%. Deze grondontsmettingsmiddelen zijn actief tegen eieren en juvenielen die zich nog in de cysten bevinden. Ze doden niet meer cysten af dan een aangepast resistent ras. Telone-II of DD-95 zijn de enige erkende middel (1,3-dichloorpropeen) in België (toelating voor gebruik nog geldig tot maart 2009).
Behandelen van sorteer- en wasaarde
Ook het waswater zou misschien een verspreidingsbron kunnen zijn, maar de impact hiervan is minder duidelijk.



