Wetgeving: het aardappelcysteaaltje is een ‘quarantaineorganisme’

Opmerking: deze samenvatting vervangt geenszins de officiële wetgeving die van kracht is!

Het aardappelcysteaaltje is een quarantaineorganisme: aardappelcysteaaltjes mag men niet verspreiden in de lidstaten van de Europese Unie. Alle wortel-, knol of bolgewassen moeten afkomstig zijn van een veld dat bekend staat als zijnde vrij van aardappelcysteaaltjes (zie KB van 10 augustus 2005 met betrekking tot bestrijding van schadelijke organismen voor planten of plantaardige producten - met name Bijlage IV, deel A, hoofdstuk II - lees meer). Daarom moeten de percelen waarop pootaardappelen verbouwd zullen worden vooraf door de Dienst Teeltmateriaal  van het FAVV op aanwezigheid van aardappelcysten gecontroleerd worden.

Om besmetting met aardappelcysteaaltjes te voorkomen is het verboden meer dan één maal om de drie jaar op eenzelfde plaats aardappelen (of tomaten) te verbouwen, behalve wanneer het primeuraardappelen betreft die vóór 20 juni gerooid worden.

Momenteel mogen op besmette percelen geen aardappelen noch tomaten geteeld of opgeslagen worden, behalve indien de rassen resistent zijn tegen het pathotype dat er voorkomt. Vanaf 1 juli 2010 zullen de strengere voorwaarden van de Europese Richtlijn toegepast worden. 

De Europese wetgeving aanziet het aardappelcysteaaltjes als een quarantaineorganisme, wat betekent dat ze niet binnen het grondgebied van de Europese Unie mogen verspreid worden en dat ze ook bestreden moeten worden. In België is het FAVV (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) verantwoordelijk voor de controle op het toepassen van de maatregelen.

Actuele wetgeving

De huidige wetgeving van toepassing in België gaat terug naar het Koninklijk Besluit van 19 november 1987 (toepassing van de Europese Richtlijn van 8 december 1969 ter bestrijding van het aardappelcysteaaltje – Dir. 69/465). De toepassing van deze wetgeving had tot op heden weinig impact op de dagelijkse werking van de operatoren. Bodemstalen zijn momenteel enkel verplicht op percelen bestemd voor de vermeerdering van pootgoed en uitgangsmateriaal van andere gewassen (boomkwekerij, bollen…). Ook bij de export van consumptieaardappelen naar derde landen worden analyses op de afwezigheid van cystenaaltjes uitgevoerd indien het land van bestemming dit eist. Deze controle is een economische vereiste, geen wettelijke. Toch dient de controle te gebeuren onder toezicht van het FAVV.

Een nieuwe Europese Richtlijn gaat in voege in 2010

Op 1 juli 2010 gaat een nieuwe Richtlijn (Richtlijn 2007/33/CE van 11 juni 2007) in voege omtrent de bestrijding van het aardappelcysteaaltje (ACN). Via deze Richtlijn kunnen de maatregelen die tegen het cystenaaltjes geharmoniseerd worden tussen de verschillende lidstaten. Er wordt met name voorzien in een beperkte monitoring van percelen consumptieaardappelen (0,5% van het areaal, of ongeveer 300 ha voor België) vanaf 2010.

Het doel van de Richtlijn is de verspreiding van het cystenaaltje binnen de Europese Unie tegen te gaan. Er wordt dus géén uitroeiing beoogd, aangezien de cysteaaltjes reeds aanwezig zijn in een groot aantal regio’s.

In vergelijking met de huidige wetgeving, betreffen de voornaamste wijzigingen:

  1. een verplichte officiële enquête om de verdeling van het cysteaaltje in de verschillende teeltgebieden te kennen;
  2. naast G. rostochiensis ook rekening houden met G. pallida, een nieuw organisme binnen Europa dat niet voorzien was in de vorige richtlijn;
  3. het opstellen van een lijst van die opsomt welke teelten toegelaten of verboden zijn op de besmette percelen, en waarbij voor de teelt een bodemanalyse moet uitgevoerd worden of er mogelijkheid bestaat de opbrengsten te commercialiseren bij sanering;
  4. er dienen grondstalen genomen te worden voor de teelt van de genoemde planten (vermeerderingsmateriaal van waardplanten en andere wortelgewassen) met een volume van 1500 ml/ha (zie KB van 10 augustus 2005);
  5. bij aanwezigheid van aaltjes moet een bijkomende analyse uitgevoerd worden om de soort nematode te bepalen;
  6. deze analyses zijn niet in alle gevallen vereist, met name bij de teelt van hoevepootgoed. Opgelet! Enkel knollen geteeld en bewaard op dezelfde bedrijfseenheid van een en dezelfde teler worden als hoevepootgoed beschouwd;
  7. er is een verplichte behandeling van besmette partijen met een aangepaste behandeling van de afval: in praktijk zijn dit partijen die besmet bevonden zijn bij een officieel onderzoek;
  8. de nationale instellingen die instaan voor de plantenbescherming (FAVV in België) moeten de resultaten van de analyses bijhouden;
  9. er moeten bestrijdingsmaatregelen genomen worden op besmet verklaarde percelen (onder andere ruime rotatie of het gebruik van resistente cultivars);
  10. na een officiële besmetverklaring zijn beperkende maatregelen van toepassing gedurende 6 jaar of minstens tot een nieuwe staalname. Deze periode kan ingekort worden tot 3 jaar, als officieel goedgekeurde maatregelen toegepast werden en als er geen cysten meer gevonden worden bij een nieuwe analyse.
FAVV heeft op sommige punten geanticipeerd op het in voege treden van de Richtlijn. In de loop van 2007 vond uitgebreid overleg plaats met sectorvertegenwoordigers, die toelieten om in geval van besmetting met cysteaaltjes de manier van opvolging en verplichte fytosanitaire maatregelen aan te passen. Deze principes en maatregelen worden toegepast vanaf 2008 en worden in de volgende paragrafen beschreven.

Concrete bepalingen voor de staalname

In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen analyses van percelen en analyses van partijen.

Op gebied van analyse van percelen:

  • officieel onderzoek van alle percelen bestemd voor de productie van pootgoed in het kader van fytosanitair paspoort. Dit onderzoek is reeds verplicht in het kader van de nationale wetgeving. De volumes grond en analysekostprijs zijn echter gewijzigd (zie volgende punt);
  • staalname grond in het kader van een officieel onderzoek.

Op gebied van analyse van partijen (enkel consumptieaardappelen):

  • analyse van partijen in het kader van officieel onderzoek;
  • analyse van consumptieaardappelen bestemd voor de export naar derde landen, op vraag van deze laatste (is geen wettelijke vereiste, wel een economische).

Staalname van percelen en kostprijs analyse

Staalname van percelen bestemd voor de teelt van gecertificeerd pootgoed (of van elke andere teelt opgenomen in bijlage 1 van de nieuwe richtlijn)

Een basisstaal bestaat uit minstens 1500 ml grond/ha en bestaat uit minstens 100 prikken, bij voorkeur volgens een raster. Het wordt genomen door een officiële dienst. Het staal kan beperkt worden tot 400 ml /ha (of zelfs 200 ml/ha) als de historiek van het perceel gunstig is en/of bij grote percelen (zie bijlage 2 van de Richtlijn 2007/33/EG van 11 juni 2007).

Stalen van percelen gecontroleerd in het kader van een officieel onderzoek

Een basisstaal bevat 400 ml grond/ha en dit uit minstens 100 prikken.
Kostprijs analyses (zonder kosten staalname) bedraagt:

  • 25,00 € voor 1500 ml grond;
  • 12,50 € voor 400 ml grond.

De kostprijs kan wijzigen. Meer informatie bij FAVV.

Staalname van partijen consumptieaardappelen

Dit gebeurt door staalname van aanhangende grond of een staalname van het perceel van herkomst.

Meldingsplicht

De betrokken operator (producent, verwerker, handelaar of laboratorium) moet besmettingen vastgesteld op partijen aardappelen of op percelen melden. De melding moet aan het FAVV gericht worden (aan de provinciale controle-eenheden - PCE).

Maatregelen voor officieel besmet verklaarde percelen

Bij een positieve analyse kan de teler een tweede analyse aanvragen. Het perceel of deel van het perceel dat officieel besmet verklaard is behoudt deze status voor een periode van 6 jaar. Op het einde van deze periode wordt het perceel opnieuw officieel bemonsterd volgens het basisprotocol (1500 ml/ha).

Tijdens de volledige periode waarin het perceel besmet verklaard is, is het verboden om volgende gewassen te telen:

  • aardappelen (behalve de teelt van consumptieaardappelen van cultivars die resistent zijn aan de vastgestelde pathotypes of aardappelen als vanggewas),
  • andere waardplanten (tomaat, aubergine, …),
  • voor opplant bestemde planten met wortels (tenzij als ze kunnen ontsmet worden).

Aan de telers zullen meerdere mogelijkheden voorgesteld worden om de duur van deze periode in te korten : teelt van een aardappelras resistent aan het aanwezige pathotype, teelt van een vanggewas (gevoelig aardappelras dat vernietigd wordt voor 20 juni, of raketblad - Solanum sisymbriifolium) of ontsmetting van de bodem met een erkend nematicide bij een resistente cultivar (zie www.fytoweb.fgov.be).

Klik hier voor meer details (volledige nota FAVV). Andere maatregelen dan lokplanten of resistente rassen dienen in elk geval aan de Commissie meegedeeld te worden met inbegrip van hun effectiviteit. 

Als een of meerdere maatregelen toegepast werden, kan de periode waarna de teler een nieuwe staalname kan aanvragen ingekort worden tot 3 jaar in plaats van 6 jaar.

Maatregelen voor officieel besmet verklaarde partijen

Besmette partijen mogen niet geëxporteerd worden naar derde landen en mogen, in voorkomend geval, niet uitgeplant worden.

Er werden een reeks maatregelen gedefinieerd door het FAVV. Het gaat om ontsmetting van partijen voor ze in de handel gebracht worden, levering aan bedrijven met het oog op directe verkoop aan de consument (met gepaste behandeling van de sorteergrond) of nog directe levering voor veevoeding.

Klik hier voor meer details (volledige nota FAVV). Er zijn verschillende alternatieven toegestaan voor een aangepaste behandeling van grond, sorteer- of verwerkingsafval.