Wetgeving - Globodera

HET AARDAPPELCYSTEAALTJE IS EEN ‘QUARANTAINEORGANISME’

Het aardappelcysteaaltje is een quarantaineorganisme: aardappelcysteaaltjes mag men niet verspreiden in de lidstaten van de Europese Unie. Alle wortel-, knol of bolgewassen moeten afkomstig zijn van een veld dat bekend staat als zijnde vrij van aardappelcysteaaltjes (zie KB van 22 juni 2010 met betrekking tot bestrijding van het aardappelcysteaaltje - met name Bijlage I - lees meer). Daarom moeten de percelen waarop pootaardappelen verbouwd zullen worden vooraf door de Dienst Teeltmateriaal van het FAVV op aanwezigheid van aardappelcysten gecontroleerd worden.

Om besmetting met aardappelcysteaaltjes te voorkomen is het verboden meer dan één maal om de drie jaar op eenzelfde plaats aardappelen (of tomaten) te verbouwen.

Op besmette percelen mogen geen aardappelen noch teelten zoals vermeld in bijlage I van het KB geteeld of opgeslagen worden, behalve indien de rassen resistent zijn tegen het pathotype dat er voorkomt.

De Europese wetgeving aanziet het aardappelcysteaaltjes als een quarantaineorganisme, wat betekent dat ze niet binnen het grondgebied van de Europese Unie mogen verspreid worden en dat ze ook bestreden moeten worden. In België is het FAVV (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) verantwoordelijk voor de controle op het toepassen van de maatregelen.

Actuele wetgeving

De huidige wetgeving van toepassing in België is het Koninklijk Besluit van 22 juni 2010 (omzetting van de Europese Richtlijn 2007/33/CE van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en wijziging van het KB van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van schadelijke organismen). Dit Koninklijk Besluit is in voege getreden op 1 juli 2010.

Europese Richtlijn

De basis van de Belgische wetgeving is een Europese Richtlijn (Richtlijn 2007/33/CE van 11 juni 2007) omtrent de bestrijding van het aardappelcysteaaltje (ACN). Via deze Richtlijn kunnen de maatregelen die tegen het cystenaaltjes geharmoniseerd worden tussen de verschillende lidstaten. Er wordt met name voorzien in een beperkte monitoring van percelen consumptieaardappelen (0,5% van het areaal) vanaf 2010.

Het doel van de Richtlijn is de verspreiding van het cystenaaltje binnen de Europese Unie tegen te gaan. Er wordt dus géén uitroeiing beoogd, aangezien de cysteaaltjes reeds aanwezig zijn in een groot aantal regio’s.

In vergelijking met de vroegere wetgeving, betreffen de voornaamste wijzigingen:

  1. een verplichte officiële enquête om de verdeling van het cysteaaltje in de verschillende teeltgebieden te kennen;
  2. naast G. rostochiensis ook rekening houden met G. pallida, een nieuw organisme binnen Europa dat niet voorzien was in de vorige richtlijn;
  3. het opstellen van een lijst van die opsomt welke teelten toegelaten of verboden zijn op de besmette percelen, en waarbij voor de teelt een bodemanalyse moet uitgevoerd worden of er mogelijkheid bestaat de opbrengsten te commercialiseren bij sanering;
  4. er dienen grondstalen genomen te worden voor de teelt van de genoemde planten (vermeerderingsmateriaal van waardplanten en andere wortelgewassen) met een volume van 1500 ml/ha (zie KB van 10 augustus 2005);
  5. bij aanwezigheid van aaltjes moet een bijkomende analyse uitgevoerd worden om de soort nematode te bepalen;
  6. deze analyses zijn niet in alle gevallen vereist, met name bij de teelt van hoevepootgoed. Opgelet! Enkel knollen geteeld en bewaard op dezelfde bedrijfseenheid van een en dezelfde teler worden als hoevepootgoed beschouwd;
  7. er is een verplichte behandeling van besmette partijen met een aangepaste behandeling van de afval: in praktijk zijn dit partijen die besmet bevonden zijn bij een officieel onderzoek;
  8. de nationale instellingen die instaan voor de plantenbescherming (FAVV in België) moeten de resultaten van de analyses bijhouden;
  9. er moeten bestrijdingsmaatregelen genomen worden op besmet verklaarde percelen (onder andere ruime rotatie of het gebruik van resistente cultivars);
  10. na een officiële besmetverklaring zijn beperkende maatregelen van toepassing gedurende 6 jaar of minstens tot een nieuwe staalname. Deze periode kan ingekort worden tot 3 jaar, als officieel goedgekeurde maatregelen toegepast werden en als er geen cysten meer gevonden worden bij een nieuwe analyse.

Concrete bepalingen voor de staalname

In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen analyses van percelen en analyses van partijen.

Op gebied van analyse van percelen:

  • officieel onderzoek van alle percelen bestemd voor de productie van gecertificeerd pootgoed. Dit onderzoek is reeds verplicht in het kader van de nationale wetgeving. Er is ook een officieel onderzoek nodig voor hoevepootgoed met een plantenpaspoort (KB van 18 augustus 2010); 
  • staalname grond in het kader van een officieel onderzoek.

Op gebied van analyse van partijen (enkel consumptieaardappelen):

  • analyse van partijen in het kader van officieel onderzoek;
  • analyse van consumptieaardappelen bestemd voor de export naar derde landen, op vraag van deze laatste (is geen wettelijke vereiste, wel een economische).

Staalname van percelen en kostprijs analyse

Staalname van percelen bestemd voor de teelt van gecertificeerd pootgoed (of van elke andere teelt opgenomen in bijlage 1 van het nieuwe KB van 22 juni 2010).

Een basisstaal bestaat uit minstens 1500 ml grond/ha en bestaat uit minstens 100 prikken, bij voorkeur genomen volgens een rechthoekig raster met een minimale breedte van 5 m en een maximale lengte van 20 m tussen de bemonsteringspunten. Het wordt genomen door een officiële dienst. Het staal kan beperkt worden tot 500 ml /ha als de historiek van het perceel gunstig is en/of bij grote percelen (zie bijlage 2, punt 3 en punt 4 van het KB van 22 juni 2010).

Stalen van percelen gecontroleerd in het kader van een officieel onderzoek (survey)
Een basisstaal bevat 500 ml grond/ha en dit uit minstens 100 prikken volgens de methodiek die hierboven geschetst is. Deze staalname kan vervangen worden door een gericht monster van 500 ml grond na visueel onderzoek (bij zichtbare symptomen) of door een monster van 500 ml aanhangende grond (op voorwaarde dat het perceel van herkomst traceerbaar is).

Kostprijs analyses (zonder kosten staalname) bedraagt:

  • 25,00 € voor 1500 ml grond;
  • 12,50 € voor 500 ml grond.

De kostprijs kan wijzigen. Meer informatie bij FAVV.

Staalname van partijen consumptieaardappelen

Dit gebeurt door staalname van aanhangende grond of een staalname van het perceel van herkomst.

Meldingsplicht

De operatoren moeten de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes melden aan de betrokken PCE door middel van het formulier voor de meldingsplicht.
Voor een de besmetting bij consumptieaardappelen betreft hoeft sinds het najaar van 2010 de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes niet meer te gemeld te worden. Deze afwijking is verbonden aan volgende voorwaarden:

  • Men moet de verplichte bestrijdingsmaatregelen toepassen zoals vermeld in het KB van 22 juni 2010;
  • De besmettingen en bestrijdingsmaatregelen moeten genoteerd worden in het register van aanwezigheid van schadelijke organismen (concreet moet men de positieve analyseresultaten, de betrokken percelen alsook de genomen maatregelen noteren) .

De volledige bepalingen kunnen op de site van FAVV geraadpleegd worden.

Maatregelen voor officieel besmet verklaarde percelen

Bij een positieve analyse kan de teler een tweede analyse aanvragen. Het perceel of deel van het perceel dat officieel besmet verklaard is behoudt deze status voor een periode van 6 jaar. Op het einde van deze periode wordt het perceel opnieuw officieel bemonsterd volgens het basisprotocol (1500 ml/ha).

Tijdens de volledige periode waarin het perceel besmet verklaard is, is het verboden om volgende gewassen te telen:

  • aardappelen (behalve de teelt van consumptieaardappelen van cultivars die resistent zijn aan de vastgestelde pathotypes of aardappelen als vanggewas);
  • andere waardplanten (tomaat, aubergine, paprika);
  • voor op plant bestemde planten met wortels (tenzij kan aangetoond worden dat er geen aanwijsbaar risico is op verspreiding van aardappelcysteaaltje).

De periode van 6 jaar kan ingekort worden door het toepassen van een of meerdere officiële bestrijdingsmaatregelen:

  • het telen van het meest resistent aardappelras aan het aanwezige pathotype;
  • het gebruik van een erkend nematicide (zie http://www.fytoweb.fgov.be/);
  • teelt van een vanggewas (vb. raketblad - Solanum sisymbriifolium) of een aardappelgewas waarbij ten vroegste op 30 april wordt geplant en dat volledig vernietigd wordt met een erkend herbicide dat de afwezigheid van opslag garandeert voor dat de cysten rijp zijn, d.w.z. uiterlijk 40 dagen na planten en uiterlijk op 20 juni.

In de toekomst kunnen aanvullende bestrijdingsmaatregelen wettelijk vastgelegd worden.

Als een of meerdere maatregelen toegepast werden, kan de periode waarna de teler een nieuwe staalname kan aanvragen ingekort worden tot 3 jaar in plaats van 6 jaar.

Maatregelen voor officieel besmet verklaarde partijen

Wat pootgoed (zowel gecertificeerd als hoevepootgoed) betreft, geldt een verbod tot uitplanten en volgt tracering naar het perceel. Er is momenteel geen enkele ontsmettingstechniek officieel goedgekeurd.

Voor consumptieaardappelen met bestemming een verwerkings- of sorteerbedrijf geldt dat de onderneming over een procedure moet beschikken voor beveiligd afvalbeheer (geen risico op verspreiding aardappelcysteaaltje). Export van dergelijke partijen is verboden en vervoer naar andere lidstaten is onderworpen aan het akkoord van hun fytosanitaire autoriteit.

Voor besmette partijen consumptieaardappelen rechtstreeks verkocht aan de consument of bestemd voor diervoeding gelden geen voorschriften.

Maatregelen voor sierteelt- en de groenteteeltsector

De sierteelt- en de groenteplantensector zijn eveneens betrokken partij, gezien het voor de teelt van plantgoed van een aantal soorten in volle grond, verplicht zal zijn om het perceel voorafgaand aan de teelt te laten bemonsteren door het FAVV. Het gaat hierbij om volgende planten :

  1. waardplanten met wortels : paprika, tomaat, aubergine;
  2. andere planten met wortels : prei, bieten, kolen, aardbeien, asperge;
  3. bollen, knollen of wortelstokken van sjalot, ui, dahlia, gladiool, hyacint, iris, lelie en tulp die verkocht worden aan professionele planten- of snijbloemkweker

Een afwijking op deze verplichte monstername is mogelijk voor de planten opgenomen in de punten 2 en 3 op voorwaarde dat de oogst schoongemaakt (gewassen of afgeborsteld) zal worden. De volledige tekst kan u hier nalezen.

Export van aardappelen naar Rusland

Sinds 25 november 2010 gelden nieuwe richtlijnen voor de export van aardappelen naar Rusland. Aardappelen afkomstig van percelen gelegen in een arrondissement waar in het verleden al besmette percelen waargenomen zijn, dienen steeds gewassen te worden vooraleer een exportcertificaat kan uitgereikt worden. Indien de aardappelen afkomstig zijn uit een arrondissement waar nog geen aardappelcysteaaltjes werden aangetroffen volstaat het een grondmonster te nemen van de aanhangende grond van de betrokken partij. Indien het resultaat negatief is en het perceel is volledig traceerbaar kan een exportcertificaat afgeleverd worden zonder dat de partij dient gewassen te worden.

De volledige richtlijnen voor export naar Rusland en de bijhorende documenten zijn raadpleegbaar op de site van het FAVV.